Sharh Oesoel Al-Iemaan.

Een uitleg van de Fundamenten van het Geloof.

Auteur: Shaych Mohammed Bin Saaleh Al-Uthaymien rahiemehoellaa.

Geloof in de Roeboebieyah (Heerschappij) van Allaah:

Dit betekent: te geloven dat Allaah de enige Heer is zonder deelgenoot of helper.

De Rabb (Heer) is degene aan wie de Chalq (Schepping), Moelk (Heerschappij) en Amr (Gebod) behoort: Dus er is geen Schepper dan Allaah: Geen Maalik (Heerser) dan Hij, en er is geen Gebod dan het Zijne. Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorzeker, zijn Scheppen en Bevelen aan Hem voorbehouden...” (Soerat Al-A’raaf 7:54)

Allaah zegt ook: “Dat is Allaah jullie Heer; Aan Hem behoort de Heerschappij. En degenen die jullie naast Hem aanroepen, bezitten nog geen Qitmier (het dunne membraan van een dadelsteen). (Soerat Faatier 35:13

Deze belangrijke Aaiyat is een herinnering aan hen die de doden of afwezige persoon (personen) aanroepen hulp en toevlucht tot hen zoekende, dat zij waarbij je hulp zoekt en aanroept in plaats van Allaah niet eens een Qitmier bezitten. Zij kunnen zichzelf niet helpen laat staan zij die ze aanroepen. Zij die toevlucht of bemiddeling zoeken bij de deugdzamen in hun graven hebben Allaah niet juist geacht als Degene die geeft en neemt, Degene die bepaalt en steunt, Degene die ervan houdt aangeroepen te worden, Hij Alleen, etc.

Het is niet bekend dat iemand de Roeboebieyah van Allaah heeft ontkend behalve een arrogante die niet gelooft in wat hij zegt, zoals de Pharaoh toen hij tegen zijn volk zei: “Ik ben jullie Heer, de Allerhoogste. ” (Soerat An-Nazie’aat79: 24)

En: “O leiders! Ik weet niet dat jullie een Ilaah (godheid) buiten mij hebben”. (23 Soerat Al-Qasas 28:38)

Wat hij zei was geen zaak van overtuiging. Allaah zegt: “En zij verloochenden toen (de Aaiyaat: bewijzen, verzen, lessen, tekenen, openbaringen, etc) in onrecht en in arrogantie, terwijl ze er zelf van overtuigd waren [dwz de Ayaat zijn afkomstig van Allaah, en Moesaa is de Boodschapper van Allaah in waarheid, maar zij hadden een afkeer om Moesaa te gehoorzamen, en haatten het om in zijn Boodschap te geloven van Tauwhied.] (Soerat An-Nahl. 16:14)

Allaah vertelt wat Moesaa tegen Fir’awn (de Farao) zei: “(Moesaa ) zei) “Waarlijk, jij weet dat deze tekenen door niemand anders nedergezonden zijn dan door de Heer van de hemelen en de aarde als heldere bewijzen (van Allaah’s Eenheid en Zijn Almacht etc.). En ik denk zeker dat jij, O Fir’awn gedoemd bent voor vernietiging (ver van al het goede)!” (Soerat Al-Israa’ 17:102)

Om deze reden, waren de Moeshrikien (de heidense Arabieren) gewoon om de Roeboebieyah van Allaah te erkennen ondanks dat ze Shirk pleegden in Zijn Oeloehieyah. Allaah zegt: ”Zeg: ‘Aan wie behoort de aarde en alles wat erin is? Als jullie het weten!’ Zij zullen zeggen: ‘Het behoort aan Allaah!’ Zeg: ‘Zullen jullie je dan niet laten vermanen?’ Zeg: Wie is de Heer van de zeven hemelen, en de Heer van de grootse ‘Arsh (Troon)?’ Zij zullen zeggen: ‘Allaah.’ Zeg: ‘Zullen jullie Allaah dan niet vrezen (te geloven in Zijn Eenheid, hem gehoorzamen, geloven in de Wederopstanding en Verrekening voor elke goede of slechte daad).’ Zeg: ‘In Wiens Hand is de soevereiniteit van alles (de schatten van ieder en alles)? En Degene die (alles) beschermt, tegen Wie er geen beschermer is, indien jullie het weten.’ Zij zullen zeggen: “Al dat alles behoort aan Allaah.” Zeg: Hoe dan zijn jullie bedrogen en hebben jullie je afgekeerd van de waarheid? (Soerat Al-Moe’minoen 23:84-89)

[Voetnoot OV] Als Allaah iemand redt dan kan niemand hem straffen of kwaad doen, en als Allaah iemand straft of kwaad doet dan kan niemand hem redden. [Tafsier Al-Qoertoebie, Vol.12, p.145]

Hij zegt ook: ”En voorwaar als je hen vraagt, “Wie heeft de hemelen en aarde geschapen?” Zij zullen zeker zeggen: “De Almachtige, de Alwetende heeft hen geschapen.” (Soerat Az-Zoekhroef. 43:9)

Hij zegt verder: “En als je hen vraagt wie hen geschapen heeft, zij zullen zeker zeggen: “Allaah”. Hoe zijn zij dan afgedwaald (van de aanbidding van Allaah die hen geschapen heeft)? ” (Soerat Az-Zoekhroef43:87)

Het Gebod van Allaah van ar-Rabb (Heer, Allaah) omvat beide de Kawnie (Universeel) en de As-Shar’ee (Wettelijke of Gerechtelijke) Geboden. Zoals hij de Enige is Die de zaken van het universum controleert, het Regerende zoals Hij wil en in overeenstemming met wat noodzakelijk is door Zijn Wijsheid, Hij is ook de Rechter die het regeert bij wijze van Wetgeving betreffende de Ibadaat en Wetten door alle Moe’aamalaat te controleren, in overeenstemming met Zijn Wijsheid.

Dus wie ook maar een wetgever naast Allaah plaatst in Ibadaat of een rechter in Mu’amalaat pleegt Shirk en wordt geen Iemaan toegeschreven.

Het Geloof in de Oeloehieyah van Allaah:

Het is het geloof dat Allaah de Enige Ware Ilaah (God) is die geen partner of deelgenoot heeft. De Ilaah betekent de Al-Ma’looh oftewel Al-Ma’bood (de aanbedene), de enige ware God die het verdient om aanbeden te worden uit liefde en verheerlijking. Allaah zegt: "En jullie Ilaah is één Ilaah, La ilaaha illa Hoewa (Niets of niemand heeft het recht om aanbeden te worden alleen Allaah), Ar-Rahmaan (Wiens Barmhartigheid alle dingen omvat), de Meest Genadige." (Soerat Al-Baqarah 2:163)

Hij zegt ook: “Allaah getuigt dat La ilaaha illa Hoewa (niets of niemand heeft het recht om aanbeden te worden dan Hij), en de engelen, en zij die kennis hebben (getuigen dit ook); Zijn schepping in Rechtvaardigheid onderhoudend. La ilaaha illa Hoewa, de Al-Machtige, de Al-Wijze." (Soerat Aal-‘Imraan 3:18)

Al hetgeen dat als een Ilaah wordt genomen buiten Allaah als een godheid, de Oeloehieyah daarvan is vals. Allaah zegt: “Dat is omdat Allaah de Waarheid is ( de enige Ware God van alles dat bestaat, Die geen deelgenoot of rivalen heeft), en degenen die zij (de polytheïsten) naast Hem aanroepen – is slechts Baatil (nutteloze valsheid). En waarlijk, Allaah is de Allerhoogste, Allergrootste.” ( Soerat Al-Hadj 22:62)

Dat ze Aaliha (godheden) worden genoemd geeft hen geen recht van Oeloehieyah. Allaah zegt, beschrijvende de heidense godheden als Al-Laat, Al-‘Uzzaa, en Mennaat dat: “Het zijn slechts namen die jullie zo genaamd hebben, -jullie en jullie vaders, -voor hetgeen Allaah geen toestemming heeft nedergezonden. ” ( Soerat An-Najm53:23)

Hij (Allaah) vertelt ons ook dat Yoesoef tegen zijn twee gevangenisgenoten gezegd heeft: “O mijn twee gevangenisgenoten! Zijn vele heren (arbaab i.e goden) beter of Allaah, de Ene, al-Qahhaar? Jullie aanbidden naast hem slechts namen die jullie genaamd (verzonnen) hebben waarvoor Allaah geen gezag heeft nedergezonden. ” (Soerat Yoessoef 12:39-40)

Om deze reden hebben de Boodschappers, moge de Salaat en Salaam van Allaah met hen zijn, steeds tegen hun respectievelijke volkeren gezegd: “Aanbid Allaah! Jullie hebben geen andere Ilaah (godheid) dan Hem.” (Soerat. 7: 59, 60, 73,85; 11: 50, 61, 84; 23:23, 32)

De Moeshrikien, echter, weigerden, en plaatsten deelgenoten als rivalen naast Allaah, om ze te aanbidden buiten Allaah, hun hulp en steun zoekende. Allaah maakte hun handelingen teniet middels twee bewijzen:

Ten eerste: Er is geen Goddelijke Kwaliteit in de godheden die zij naast Allaah aanbeden. Deze godheden zijn geschapen en kunnen niet scheppen en noch voorzien zij hun aanbidders van nut, noch kunnen zij kwaad van hen weren; ze kunnen noch leven schenken, noch kunnen zij dood veroorzaken; ze bezitten niets van de hemelen en hebben er geen aandeel in. Allaah zegt: “Ze hebben naast Allaah godheden genomen die niets hebben geschapen maar zelf geschapen zijn, en ze bezitten noch kwaad en noch zijn zij van voordeel voor zich zelf, noch om leven (te geven), noch om de doden te doen herrijzen.” (Soerat Al-Foerqaan 25:30)

Allaah zegt ook: “Zeg: (O Mohammed tegen die polytheïsten, heidenen, etc) “Roep diegenen aan die jullie als deelgenoten beschouwen naast Allaah, zij beschikken niet eens over het gewicht van een molecule, noch in de hemelen noch op aarde, noch hebben zij een aandeel in beide, noch is er een helper voor Hem van onder hen. En intercessie bij Hem heeft geen nut, behalve voor wie Hij dat toestaat. ” (Soerat Sabaa’34: 22-23)

“Maken zij deelgenoten die niet kunnen scheppen maar zelf zijn geschapen? Geen hulp kunnen ze hen geven, noch kunnen ze zichzelf helpen.” (Soerat Al-A’raaf 7:191-192)

Als dit de situatie is met die goden, om ze daarom te aanbidden naast Allaah is dat het uiterste van dwaasheid en valsheid.

Ten tweede: Die Moeshrikien waren gewend toe te geven dat Allaah Ar-Rabb (de Heer) Al-Chaaliq (de Schepper) is in Wiens Hand de Souvereiniteit van alles is en Hij Degene is Die (alles) beschermt, terwijl tegen Hem geen beschermer is. Deze bekentenis zou het noodzakelijk moeten hebben gemaakt dat Hij de Enige Ilaah is die het waardig is om aanbeden te worden (Oeloehieyah) zoals zij met Zijn Roeboebieyah gedaan hebben (toen ze Hem als hun enige ware Heer genomen hadden).

Wat dit betreft zegt Allaah: “O Mensheid! Aanbid jullie Heer (Allaah), Degene Die jullie geschapen heeft en degenen voor jullie omdat jullie Moettaqoen (Godsvreesenden) worden. Degene die jullie de aarde als een rustplaats heeft gemaakt en de hemel als een gewelf, en regen vanuit de hemel nederzendt en daarmee vruchten als een voorziening verschaft. Zet daarom geen deelgenoten tegen Allaah op (in aanbidding) terwijl jullie het weten (dat Hij de Enige is die het recht heeft om aanbeden te worden).” (Soerat Al-Baqarah 2:21-22)

Hij zegt ook:“En als je hen vraagt wie hen geschapen heeft, zij zullen zeker zeggen: “Allaah”. Hoe zijn zij dan afgedwaald (van de aanbidding van Allaah die hen geschapen heeft)?” (Soerat Az-Zoekhroef 43:87)

En Hij zegt ook: “Zeg: Wie verschaft voor jullie vanuit de hemelen en van de aarde? Of Wie bezit het gehoor en het zien? En Wie brengt de doden vanuit de levenden voort en de levenden vanuit de doden? En Wie regelt de zaken? Zij zullen zeggen: “Allaah.” Hebben jullie dan geen vrees voor de bestraffing van Allaah (door iets of iemand anders te aanbidden dan Allaah)?” Dat is Allaah, jullie Heer, in waarheid. Dus wat is er buiten de Waarheid, (dat overblijft) dan dwaling? Dus, hoe hebben jullie je dan afgewend?” (Soerat Yoenoes 10:31-32)

Het Geloof in de Namen en Sifaat (Eigenschappen) Allaah:

Dit betekent de Namen en Eigenschappen te bevestigen welke Allaah voor zichzelf bevestigd heeft in Zijn Boek en in de Soennah van Zijn Boodschapper op de manier die Hem het beste past, zonder:

Tahrief (verdraaiing van de betekenis)
Ta’tiel (ontkennen van de betekenis)
Takyief (zoeken naar de manier waarop deze zijn), of
Tamthiel (gelijkenissen stellen aan Allaah)

Allaah zegt: “En aan Allaah behoren (alle) Meest Schone Namen, dus roep Hem daarmee aan, aan verlaat het gezelschap van diegenen die Zijn Namen verloochenen of ontkennen (of een onvrome uitspraak doen die in tegenstrijd is aan Zijn Namen). Zij zullen afgerekend worden naar hetgeen zij gewend waren te doen.” ( Soerat Al-A’raaf 7:180)

Hij zegt ook: “Aan Hem behoort de hoogste gelijkenis (niets of niemand heeft het recht om aanbeden te worden dan Hij, en is niets gelijk aan Hem) in de hemelen en in de aarde. En Hij is de Al-Machtige, de Al-Ziende.” (Soerat Ash-Shoeraa 42:11)

Twee sektes die in dwaling zijn geraakt betreffende deze zaak:

De eerste sekte: Al-Mu’attilah, die alle of sommige van Allaah’s Namen en Eigenschappen hebben ontkend met de bewering dat het bevestigen van Allaah’s Namen en Sifaat Tashbeeh (gelijkenissen maken tussen Allaah en Zijn Schepping) noodzakelijk maakt! Deze bewering is zeker vals vanuit verschillende aspecten gezien, zoals:

Ten eerste: Het maakt verkeerde verplichtingen noodzakelijk zoals tegenstrijdigheid in de Woorden van Allaah, ver verheven is Hij boven enige imperfectie. Dit is omdat Allaah de Namen en Eigenschappen voor Zichzelf heeft bevestigd en heeft de gelijkenis van wat ook maar, met Hem ontkend. En ook al zou de bevestiging van Zijn Namen en Eigenschappen Tashbieh noodzakelijk maken, dan zou dat betekenen dat er tegenstrijdigheid aanwezig zou zijn in de Spraak van Allaah en dat het elkaar zou moeten weerleggen.

Ten tweede: Het is niet noodzakelijk dat “overeenstemming in Naam” of “in Eigenschap” tussen twee zaken dat de twee zaken dan ook gelijk aan elkaar zouden moeten zijn. Als je bijvoorbeeld twee mensen ziet in een staat van overeenstemming waarbij elk een horende, ziende en sprekende mens is. Je ziet dat dieren handen, voeten en ogen hebben. Deze overeenstemming maakt het nog niet noodzakelijk dat hun handen, voeten en ogen gelijk aan elkaar zouden moeten zijn. Als dit onderscheid in de namen en kwaliteiten van schepselen duidelijk is, dan zal het onderscheid tussen de Schepper en het geschapen nog groter zijn en nog duidelijker.

De Tweede Sekte: De Mushabbiha die de Namen en Eigenschappen van Allaah weliswaar bevestigen, maar Tashbieh maken (gelijkenissen stellen tussen Allaah en Zijn Schepping), bewerende dat dit noodzakelijk gemaakt wordt door de teksten op grond van het feit dat Allaah de ‘Ibaad (dienaren) aanspreekt op hun begripsvermogen! Een dergelijke claim is vals en wel in veel aspecten, zoals:

Ten eerste: De Mushaabah: Dat Allaah lijkt op Zijn Schepping is een vals concept dat ontkend wordt door de Shar’a alsook door het verstand. Daarom is het onmogelijk dat een valse zaak noodzakelijk gemaakt is door de Qor’aan en Soennah.

Ten tweede: Allaah sprak de mensheid aan op basis van de grondbetekenissen van Zijn Namen en Eigenschappen. Echter, de kennis van de essentie en ware aard van die betekenissen betreffende Zijn Thaat (Zelf) en Sifaat behoort uitsluitend aan Allaah alleen. Dus, als Allaah voor Zichzelf bevestigd dat Hij de Al-Horende is, dan wordt het Gehoor begrepen uit de grondbetekenis, welke het opnemen van geluiden is. Echter, de essentie van deze betekenis betreffende het Horen van Allaah de Verhevene is onbekend, omdat de essentie zelfs onder de geschapenen verschillend is. Dan is het zeker zo, dat het onderscheid tussen het horen van de geschapenen en het Horen van de Schepper veel groter en nog duidelijk is.

Het is bekend dat al Allaah over Zichzelf vermeld heeft dat Hij Istawaa ‘alaa Al-Arsh (Zetelde zich over de Troon op een manier die Zijn Godelijkheid en Koninklijke Hoogheid en Majesteitelijkheid past.) is, waarbij de Istiwaa’ volgens de grondbetekenis bekend is (wat betekent: zetelen), echter, de manier waarop (het ‘hoe’) is ons onbekend, omdat de aard van Istiwaa’ onder zijn schepslen verschillend is. De Istiwaa’ op een stevige stabiele stoel is niet hetzelfde als de Istiwaa’ op een zadel van een halsstarrige en snelafgeschrikte kameel. Wanneer dit zelfs verschillende is onder de schepselen, dan is het verschil groter en nog duidelijker voor wat betreft de Schepper en het geschapene.


Bron: http://www.sincerehearts.nl/boeken/pdf/fundamentenvanhetgeloof2.pdf

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Live duroos